Overslaan en naar de inhoud gaan

LDHA is het gen dat staat voor lactate dehydrogenase gen, dit is een gen dat codeert voor een enzym dat melkzuur in de spieren recycleert.
Melkzuur wordt gemaakt bij zogenaamd anaërobe inspanningen in de witte en gemengde spiervezels. Het is datgene dat de bekende pijn veroorzaakt wanneer men aan sport doet, zeker bij inspanningen waarbij kracht vereist is. Het zijn deze spiervezels die getraind worden

als een atleet 'in het rood gaat' m.a.w. in anaërobe fase van de inspanning. Op dat moment komt de atleet dichter bij zijn maximale inspanning. Dit wordt bij de mens dikwijls bepaald a.d.h.v. de hartslag (en accurater door melkzuurbepalingen in het bloed net na de inspanning).

Er zijn twee verschillende allelen gedetermineerd voor LDHA bij de duif (een allel is een variant van een gen bijv. in reisduiven bestaan er twee allelen voor oogkleur nl. een recessief allel voor wit en een dominant allel voor gele kleur van de iris). Deze allelen van LDHA werden A en B genoemd; A is het 'goede' allel, significant meer gevonden in absolute topduiven dan in 'normale' duiven en niet-reisduiven (Ramadan et al, 2013). Het 'goede' A allel blijkt een zeldzame variant te zijn in sportduiven (komt practisch niet voor in niet-reisduiven). Zelfs in de groep topduiven bevat een meerderheid duiven nog steeds het BB genotype. Dit betekent dat het A allel dus niet absoluut noodzakelijk blijkt om een nationale wedstrijd te kunnen winnen of om een asduif te kunnen hebben. Uit het wetenschappelijk onderzoek en uit onze bevindingen blijkt dit A allel wél duidelijk meer voor te komen in topduiven, vooral in de categorie asduiven van 300 tot 700-900 km. Dit kan men ook tamelijk logisch verklaren als men dieper de biochemische en fysiologische betekenis van dit gen bekijkt.

 

Aangezien alle genen in het 'dubbel' voorkomen bij (bijna) alle dieren omdat alle chromosomen in het dubbel voorkomen als zijnde homologe chromosomen, zijn meerdere combinaties van dit gen mogelijk bij duiven. Met deze twee allelen kunnen aldus drie genotypes gevormd worden nl. BB, AB en AA.

In de groep 'normale' sportduiven (niet behorend bij de topduiven) bezat slechts ongeveer 12 % het A allel en in deze groep had minder dan 1 % het AA genotype (Dybus et al, 2006). In de groep met topduiven had meer dan 35 % het A allel; het AA genotype werd gevonden in 3% tot 9% (topduiven uit China en Taiwan) van de duiven, maar 25% tot 30% had het AB genotype, erop duidend dat dit AB genotype zeer gunstig is om een topduif te hebben.

 

Volgens wat wij zien, lijkt het erop dat dit AB genotype een bijzonder goede indicatie is voor topprestaties, vooral in asduiven waarin een combinatie van snelheid en uithouding belangrijk is, dus vooral eendaagse wedstrijden met meerdere uren inspanning. Dit betekent ook dat dit gen waarschijnlijk een goede indicatie is voor eenhoksrace duiven.

 

Gezien dit gen invloed heeft op de efficiëntie van aanmaak en recyclage van melkzuur is dit ook niet onlogisch. Omdat vooral de spiervezels voor snellere en krachtigere contractie (dus sneller vliegen) verantwoordelijk zijn voor melkzuurproductie, is het een goede conclusie dat dit gen belangrijk is voor snelheid, of beter de capaciteit om langere tijd een hogere snelheid vol te houden. Dit zou ook kunnen verklaren waarom dit gen meer gevonden wordt in asduiven met topprestaties (betekenend 1/100 van de uitslag) van 300 tot 700 (soms meer) km. Onder de 300 km kan een duif dikwijls nog topprestaties halen zelfs met behoorlijke spierpijn door melkzuur (de duif valt letterlijk op de plank met zijn vleugels neerhangend; sommige duiven kunnen niet meer goed in hun bak vliegen). Boven de 700 km lijkt het plausibel dat duiven veel meer enkel op aërobe spiervezels zullen moeten vliegen. Het is bovendien gekend dat duiven heel veel vetten verbruiken, zeker voor dergelijke lange afstanden. Vetten kunnen enkel verbruikt worden door aërobe verbranding. Hierdoor wordt dit enzyme minder belangrijk voor de zeer grote afstanden. Wij vermoeden dat andere genen een duidelijkere indicatie zullen geven hierover.

Toch betekent de aanwezigheid van dit gen voor lange afstandsvliegers op zich geen nadeel, en aangezien ook op de lange afstanden de wedstrijden steeds sneller verlopen, lijkt het ons niet ondenkbaar dat ook in deze categorie het gen steeds belangrijker zou kunnen worden. Wij vermoeden dit omdat wij ook in internationale winnaars op lange afstanden dit gen al aangetroffen hebben.

 

Betekent dat dit gen indicatief is om op te selecteren? Dit lijkt toch niet zo te zijn, aangezien nog steeds een meerderheid van de topduiven BB blijkt het te zijn, dus volgens ons zou het onverstandig te zijn louter hierop te selecteren. Herinner dat de mogelijkheid om prestaties te behalen op het hoogste niveau een zaak is van veel genen in combinatie met gezondheid, voeding, motivatie, etc. Tot op heden kon enkel kwantitatieve genetica hiervan enige indicatie geven.
MAAR toch kan kennis over dit gen bij kweekduiven een enorm voordeel in kweekstrategie betekenen. Ideaal gezien zou een bewezen topkweker met enkel het 'gewone' allel, dus homozygoot BB, moeten gekruist worden met AB of beter AA duiven (deze laatste zijn wel behoorlijk zeldzaam te vinden); met toch een véél grotere kans om een potentiële asduif zware halve fond of fond te kweken!

 

Dit gen is één van de eerste genen die kunnen getest worden om prestatievermogen van duiven in te schatten; en het staat vast dat dit nog maar het begin is. Een nieuw tijdperk in de duivensport is ingeluid; het is overduidelijk dat steeds meer genetisch onderzoek belangrijker zal worden in kweekstrategieën en onvermijdelijk een voorsprong zal geven voor zij die er mee rekening houden. Net zoals bij de mens en andere diersoorten wordt er volop verder onderzoek gedaan om meer te ontdekken over prestatievermogen en gezondheid bij de sportduif.

©Ruben Lanckriet and Pascal Lanneau
PiGen

 

Dybus A, Pijanka J, Cheng Y-H, Sheen F, Grzesiak W and Muszynska M (2006). Polymorphism within the LDH-A gene in the homing and non-homing pigeons. Journal of Applied Genetics, 47: 63-66.
Ramadan S, Yamaura J, Takeshi M, Inoue-Murayama M (2013). DNA Polymorphism within the LDH-A Gene in Pigeon (Columba livia). Japan Poultry Association




LEAVE A COMMENT



POST COMMENTS